Theaterproductie Honolulu: primeur in de Dorpskerk
Door Netty Lalieu

VOORSCHOTEN – ‘Als ik mijn ogen dichtdoe, ben ik in Honolulu’ is een toneelstuk op locatie, gespeeld door Parels voor de Zwijnen. De stichting Cultureel Gebruik Dorpskerk is erin geslaagd deze voorstelling naar Voorschoten te halen, in de tournee die verder louter grote steden aandoet als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. Gedurende vier avonden verzorgde het gezelschap een voorstelling met en over vluchtelingen; een heel treffend spel dat zich afspeelt in een kerk. De spelers, die worden aangevuld met drie professionals, brengen het gevoel over hoe het is ontheemd te zijn. Maar de theaterproductie brengt naast de verveling, spanning en hoog oplopende ruzies ook smakelijke humor.
Artistiek leider/regisseur Saskia Heijbrechtse maakt producties waarin werkelijkheid en fictie op zeer verfijnde wijze met elkaar verweven zijn. De verhalen en ervaringen van de spelers zijn het uitgangspunt. In deze voorstelling werden de intrieste ervaringen van de Liberiaanse vluchtelinge Paris en de Ruandese Natsha afgeschilderd tegen de gekke fratsen van Fjodr, een Rus die ook zijn heil heeft gezocht in de kerk, en de Italiaanse vriendin van Milan. Deze laatste is een gevluchte Serviër.
Honolulu is het verhaal van vluchtelingen en illegalen, van mensen die zijn weggerukt uit hun vertrouwde omgeving en zich schuilhouden in de kerk. Ankie, en Nederlandse vrouw, ontfermt zich over hen, vormt graag een grote familie met hen en ziet dit als haar levenstaak. Haar hele dag wordt in beslag genomen met de opvang van deze mensen. Ze pakt vooral veel met dozen heen en weer, intussen bereidt zij een lezing voor bij de Raad van Kerken waarin zij een vurig pleidooi houdt voor deze ‘vergeten’ groep. Daarnaast bemoedert zij de vluchtelingen en kleedt hen volgens Nederlandse normen. Zo weet onder andere Paris zich verzekerd van een goede indruk tijdens haar interview bij de IND.
Cees, de man van Ankie, is niet gelukkig met deze situatie. Hij voelt zichzelf een ontheemde tussen de andere vluchtelingen. Maar twijfelt ook voortdurend tussen geloof en ongeloof: enerzijds wil hij de ontheemden helpen, zo staat hij spontaan zijn kamerjas af. Anderzijds twijfelt hij steeds meer aan al die verhalen, hij gelooft ze niet meer. En wijst daarbij op de Rus en zegt: Hij zit hier al drie jaar en vraagt nog steeds ‘Geb jai dit maisje gezien?’ Cees ergert zich ook meer en meer aan hun vreemde gebruiken. Zo vindt hij een boterham met kaas op het toilet en ziet hij dat Paris zich alleen tegoed heeft gedaan aan een hele gebraden kip. Hij wordt er moe van, wil dat het ophoudt. Aan het einde houdt hij het niet langer uit en verlaat hij alleen de kerk, na een fikse woordenwisseling.
Onder de vluchtelingen bestaan ook wisselende stemmingen: de Nederlandse Joke, die weigert naar de Bijlmer te gaan, bespot de Engelssprekende Paris. Gelukkig krijgt deze Liberiaanse steun van de eveneens Engels sprekende Ruandese Natsha.
De vrolijke noot komt vooral van de Italiaanse Franchesca, samen met Milan zijn zij uit hun huis gezet. Milan woonde daarvoor al een half jaar in de kerk bij Ankie en Cees. Ankie ontvangt hem opnieuw met open armen; natuurlijk mag hij blijven. Maar als Milan even later terugkomt met zijn vriendin en ook voor haar onderdak vraagt, gaat Ankie door het lint: wat dénkt hij wel niet, het is hier geen hotel! Uiteindelijk mag het stel toch blijven en ontstaan er humoristische situaties.
Het onderwerp ontheemden, vluchtelingen en uitgeprocedeerde asielzoekers is momenteel erg actueel. Honolulu sluit naadloos aan op deze problematiek: met de nadruk op hoe het voelt om huis en haard achter te laten. De betrokkenheid van de spelers – naast drie professionals werden de vluchtelingen gespeeld door amateurs – gaf een significante meerwaarde aan deze productie.